‘Soms vragen klanten me wie er nu écht de baas is in het bedrijf’
10 mei 2010, 11:00 uur | FD.nl
Door: Marjan Bleeker
‘Met geldzaken is het soms lastig om jong te zijn’, weet de succesvolle ondernemer Olcay Gulsen, door schade en schande wijs geworden.
// <![CDATA[// <![CDATA[
document.write('');
// ]]>

‘Niet zo hard groeien’,
‘Niet zo hard groeien’, verzucht Olcay Gulsen (29) van vrouwenmodemerk SuperTrash als ze met een Red Bull op de bank ploft van haar hoofdkantoor in Amsterdam Zuid-Oost. Haar krullen vallen precies op de juiste plek over haar schouder, haar ultrahoge hakken bungelen boven de grond. ‘Mijn doel voor 2010 is om niet zo hard te groeien als met de 100% van vorig jaar.’
Terwijl de modewereld zucht en steunt onder de crisis, gluurt de jonge directeur van het miljoenenmerk vrolijk naar haar werknemers. Die hangen de zandkleurige zomercollectie voor 2011 op aan koperen rekken in de grote open ruimte.
Heftig
De 29-jarige Armeens-Koerdische baas van SuperTrash (‘Lekker heftig hè, die naam!’) kocht zes jaar geleden de rechten om in Europa en Azië het modemerk op de markt te mogen brengen. Ook de ontwerpen en de productie nam ze voor haar rekening. ‘Ik had eerder de vrouw ontmoet die in Hollywood een winkeltje had met deze merknaam. Ze verkocht er haar eigen modelijn en wilde de wereld veroveren. Mode voor de superjonge, zelfstandige ambitieuze vrouw, zeg maar.’
De Amerikaanse in Hollywood had ambities, maar volgens Gulsen geen vechtersmentaliteit. ‘Ze had altijd alles vanzelf gekregen. Omdat ik én kan knokken, én heel zakelijk ben, verwachtte ik dat ik het merk zou kunnen uitbouwen.’
Vechter
En dat lukte: binnen een paar jaar zette de Hollandse vechter in Europa en Azië een groot merk neer. Terwijl de VS het nog steeds moesten doen met het winkeltje in Hollywood. Vorig jaar kreeg Gulsen ook de Amerikaanse markt erbij. ‘Ze gunde het me.’ Nu verkoopt de jonge ondernemer kleding, schoenen en tassen in 24 landen, vanuit 1600 winkels en op internet. Afgelopen maand introduceerde ze in Nederland een franchiseformule voor brandstores. Er zijn er nu vier, eind dit jaar tien.
‘Die brandstores lagen nog niet in de planning hoor. Ik vind het erg hard gaan.’ Maar omdat Van As Beheer, die ook de Hugo Boss-winkels uitbaat, met een voorstel kwam, heeft ze nu maar vast de sprong gewaagd. ‘En samen met een bedrijf met zoveel ervaring is dat natuurlijk fantastisch.’
Naar eigen zeggen lopen de winkels goed. Maar hoeveel ze omzet en hoeveel winst ze haalt, wil ze liever niet kwijt. ‘Dan gaat Quote me weer bellen voor een gesprek’, giechelt ze. Wel geeft ze aan dat de omzet boven de euro 15 mln zit maar de euro 20 mln niet haalt.
De euro 20 mln haalt ze nóg niet, moet daarbij gezegd, want SuperTrash groeit snel. In 2008 met ongeveer eenderde, vorig jaar verdubbelde de omzet en dit jaar haalt ze met gemak weer een omzetgroei van 30%.
Royaal
De winst stopt ze grotendeels terug in het bedrijf. ‘Het meeste investeer ik in SuperTrash. Maar ik geef mezelf een royaal salaris hoor’, zegt de vrouw die uit een arm gezin uit Waalwijk komt. ‘Ik rij een grote witte Porsche Cayenne en sta bekend als een spender.’ En dat in een wereld waarin ook bijvoorbeeld haar vriend Edgar Davids leeft. Gulsen: ‘Ik vind dat ik dat heb verdiend. Ik heb nooit een cent geleend. Ik heb altijd alles eerst verdiend en daarna pas uitgegeven. Dat ik nu een prettige levensstijl aanhang, moet kunnen.’
Ze heeft nooit overwogen om met een investeerder in zee te gaan of geld te lenen bij de bank. ‘Ik kan me niet voorstellen de baas te zijn van een organisatie waarin alles is gericht op wat er onder de streep staat. En dat gebeurt toch altijd met investeerders. Het is mijn belang dat telt in dit bedrijf en zo moet het blijven.’
Geheim
Wat het geheim is van haar succes? ‘Het belangrijkste is dat ik samen met het personeel helemaal tot de doelgroep behoor, we zijn de doelgroep.’
Dat de 33 vrouwen en twee mannen tussen de 18 en 33 jaar bij SuperTrash weten wat er in de modewereld gebeurt, is duidelijk. Bijna iedereen loopt op een verschillende variant van tien centimeter hoge hakken. Mooie figuren in strakke broeken met zandkleurige nonchalante flinterdunne bloesjes. Hier en daar een hoed.
Midden in de doelgroep zitten, is één voordeel. Heel flexibel zijn, is een ander, weet Gulsen. ‘Mode verandert snel. Soms werken we twee maanden aan een collectie, maar besluit ik drie weken voor de deadline dat we een heel andere lijn moeten pakken. Dan heb ik ergens een nieuwe trend opgepakt en moeten de ontwerpers opnieuw beginnen.’ Dat kan lastig zijn, geeft ze direct toe. ‘Ik ben impulsief, dynamisch en ik hou van vrijheid. Maar dat is ook mijn kracht. Ik heb een hecht team. Een nieuwe medewerker is óf binnen een jaar weg, of blijft.’
Impulsief
Naast haar impulsieve karakter zijn de werktijden soms reden voor vertrek. ‘We werken veel omdat we het leuk vinden. Ik ben hier zelf tussen 09.00 uur en 20.00 uur. Dan ga ik naar huis, eet ik en schets nog wat. Of ik kruip bij mijn vriend op de bank en praat over werk.’
Een andere succesfactor is volgens Gulsen het aanvankelijke geldgebrek. ‘Daardoor heb ik “out of the box” leren denken. Ik geef geen kapitalen uit aan campagnes, zoals je vaak ziet in de modewereld. Vroeger had ik er het geld niet voor, nu vind ik het niet nodig.’ Maar als Bavaria vraagt of ze een oranje WK-jurkje wil ontwerpen, twijfelt ze niet. ‘Ik zorg er dan voor dat ik de campagne zelf mag invullen – met onder anderen mijn vriendin Sylvie van der Vaart als model – zodat die niet alleen de bierdrinker aanspreekt, maar ook mijn doelgroep. Zo’n campagne is enorm. En kost me niets. Integendeel. Alle honderdduizend jurkjes zijn al weg.’
Serieus
Om de groei te managen, heeft Gulsen nogal wat moeten leren. Bijvoorbeeld hoe ze met haar voorkomen serieus genomen wordt in een zakelijke wereld. ‘Soms vragen klanten nog steeds wel eens wie nou écht de baas is van het bedrijf. Ook met geldzaken is het soms lastig jong te zijn. Ik kwam eens bij de bank, waar de medewerker me zei dat ik li-qui-di-teits-problemen kon krijgen door mijn snelle groei. Weet je wel wat dat is meisje, voegde hij eraan toe. Nu weet ik dat ik dat soort situaties voor moet zijn. Ik vertel bij zakelijke gesprekken direct in één zin wat mijn doel is van de bijeenkomst om vervolgens te vragen wat het zijne of hare is. Ik moet nu eenmaal harder strijden dan een blanke. En dan ben ik ook nog vrouw. En jong.’